Spreekbeurt 2 | Water: vaak een vriend, soms een vijand

Nederland ligt voor een deel onder de zeespiegel. Grote kans dus dat jouw huis onder water zou staan als er geen dijken waren. Gelukkig zijn die er wel. Maar hoe werken ze precies? En wie let er eigenlijk op die dijken?

In deze spreekbeurt vertel je hoe het komt dat jij en je klasgenoten elke avond in een lekker droog bed kunnen slapen. Ook al regent het vaak én wonen jullie onder de zeespiegel. Je leert alles over hoe dijken en dammen werken en wat een gemaal is.

Vriend en vijand

In Nederland zijn we heel blij met water. Zonder water kunnen we niet leven. Maar we hebben ook wel eens ruzie met het water. Zoals in 1953, toen de dijken doorbraken. Bijna heel Zeeland stond toen opeens onder water. Dat was een grote ramp! Sinds die tijd letten we extra goed op onze dijken.

Wist je dat... er 220 gemalen in de omgeving van Amsterdam zijn? Dit zijn vaak kleine huisjes in het weiland. Je herkent ze niet zo gauw als een gemaal. Maar als je goed oplet, zie je er volgende keer misschien een.

Wat is een dijk?

Een dijk beschermt het land erachter tegen overstromingen. Er zijn verschillende soorten dijken. Je hebt er vast wel eens een gezien. Sommige dijken herken je meteen. Ze zijn heel hoog en liggen langs de zee of een rivier. Andere dijken zijn meer verstopt, zoals een kade. Die zijn vaak met gras begroeid. Of ze liggen wat lager in het land. Het officiële woord voor dijken en kades is een waterkering.

Tip

Vraag je klasgenoten of er bij hen in de buurt een dijk is.

Wist je dat er... zo'n 10.000 km dijk ligt in het gebied waar Waternet werkt?

Polders

Een polder is een stuk land dat heel laag ligt, namelijk onder zeeniveau. Om een polder heen liggen allemaal dijken. De grond ligt een stuk lager dan het water eromheen. Daardoor kan de polder vollopen met water, bijvoorbeeld als het heel hard regent.

Om een polder droog te houden heb je een gemaal nodig. Hiermee pomp je het water zo de rivier in. De rivier brengt dit water naar de zee. Maar het omgekeerde kan ook gebeuren. Als het water in de rivier erg stijgt, ontstaat er een noodsituatie. Dan laat een gemaal het water juist de polder in lopen. Zo bepalen wij waar het water heen gaat en niet het water zelf. Dat is wel zo veilig.

Tip

Vraag je klasgenoten of er bij hen in de buurt een polder is. En weet je ook hoe diep deze polder is?

Gemaal

In Nederland zijn er heel veel gemalen. Met een gemaal kun je water in of uit een bepaald gebied pompen, bijvoorbeeld een polder. Een gemaal is bijzonder, omdat het zelfs water van beneden naar boven kan laten stromen. Zo kun je dus overal het water op de juiste hoogte houden en krijgt niemand natte voeten.

Tip

Vraag je klasgenoten of ze wel eens een gemaal hebben gezien.

Overstromingen

Niet alleen in Nederland zijn er overstromingen. In Bangladesh en Pakistan lopen heel vaak grote gebieden onder water. Deze gebieden liggen langs rivieren. Er valt soms zoveel regen, dat de rivier opeens veel groter en breder wordt. Het kan dus heel gevaarlijk zijn om langs zo’n rivier te wonen. Toch willen veel mensen dat, omdat de rivier zorgt voor water om te drinken, wassen en koken. Ook daar is het water dus vaak een
vriend en soms een vijand.

Wie let er eigenlijk op mijn dijken, polders en gemalen?

In Amsterdam en omstreken is dat het bedrijf Waternet. Waternet kijkt of de dijk nog hoog en sterk genoeg is. Als het nodig is, repareert Waternet de dijken. Stijgt het water? Dan moet de dijk misschien wel worden verhoogd. Om te zorgen dat iedereen droge voeten houdt, meet Waternet regelmatig
hoe hoog het water staat. Ook bedient Waternet de gemalen om het waterpeil in de polders te regelen.

Tip

Vraag je klasgenoten of zij een voorbeeld weten van een overstroming.

Dam bouwen

Een proefje om in de klas te doen, voor wie niet bang is voor vieze handen.

Wat heb je nodig?

  • Water
  • Gieter met een inhoud van
    minimaal 5 liter
  • 1 kg zand
  • 0,5 kg natuurklei
  • 10 lange satéstokjes

Hoe doe je het?

Maak een berg zand van ongeveer 50 cm lang, 50 cm breed en 10 cm hoog. Deze berg noemen we vanaf nu ‘het land’. Maak hier nu met je vinger een geul dwars doorheen, zodat je ‘het land’ in tweeën verdeelt. Deze geul is de ‘rivier’. Laat de rivier stromen door er vanaf één kant water in te gieten. Nu
gaan we proberen om de rivier onder controle te krijgen met een dam.

Een dam maak je zo:

Verstevig de oevers van de rivier met klei. Leg flink wat klei in het midden van de rivier, om de stroom van de rivier te stoppen. Als je nu water in de rivier giet, zie je dat het water aan de ene kant van de dam blijft staan. Zorg er nu voor dat de rivier aan de ene kant niet overstroomt en dat er aan de andere kant geen droge geul ontstaat. De dam moet dus steeds een klein beetje water doorlaten. Dit doe je door hem een beetje van vorm te veranderen, bijvoorbeeld door hem met zand en satéstokjes te bewerken. Net zolang tot de rivier onder controle is.

Tip!

Dit proefje kan je ook goed buiten doen.